SNELLE INSTELLING CONTROLLER

1.      Voer onder Controllernaam een naam voor de nieuwe controller in.

2.      Selecteer een Controllertype uit het vervolgkeuzemenu.

3.      Voer het Serienummer van de controller in.

4.      Selecteer een Readertype in het vervolgkeuzemenu.

Verbindingstypes

Directe of Ethernet polling

§        Communicatiepoort: Selecteer een COM-poort.

§        Loop baudrate controller: Selecteer de baudrate. 19200 is standaard.

§        Verhouding reactie en timeout:

§        Pollingfrequentie:

IP Link, KT-400 of KTES

§        MAC-adres: Voer het MAC-adres van het apparaat in. De eerste 6 tekens van het MAC-adres (00-50-F9 in het bovenstaande voorbeeld) kunnen niet worden gewijzigd.

N.B.:        Het MAC-adres is te vinden op de printkaart. Het is een hexadecimale code met 12 tekens, waarbij er na iedere twee tekens een streepje staat, dus: xx‐xx‐xx‐xx‐xx).

§        Loop baudrate controller: Selecteer de baudrate. 19200 is standaard.

§        Protocol: Kies tussen TCP en UDP.

N.B.:        TCP als de locatie met de gateway communiceert via een terminalserver die het TCP-protocol gebruikt. In dit geval moet u de terminalserver configureren. Volg hiertoe de instructies van de fabrikant of lees de documentatie bij de terminalserver. UDP (User Datagram Protocol) gebruikt het IP-protocol om datagrammen van de ene internettoepassing naar een andere te sturen. Dit verloopt "verbindingsloos" aangezien de zender en de ontvanger geen verbinding met elkaar hoeven te maken voordat de gegevens worden verzonden. Selecteer deze optie als de locatie die u configureert, dit protocol gebruikt.

§        Static/DHCP: Gebruik DHCP om het IP-adres automatisch te verkrijgen. Voer anders de volgende parameters in:

§        IP-adres: Het statische IP-adres moet door de systeembeheerder worden ingevoerd.

§        Subnetmasker: Dit adres moet door de systeembeheerder worden ingevoerd.

§        Gateway (router): Dit adres moet door de systeembeheerder worden ingevoerd.

§        DNS-server: Dit adres moet door de systeembeheerder worden ingevoerd.

Geavanceerd

§        Codeersleutel: Voer een hexadecimale code van 16 cijfers in om de locatie te beveiligen.

§        KT-Finderdiagnose voor IP-apparaat inschakelen: Selecteer dit vakje als u de KT-Finder wilt gebruiken voor configuratie en probleemoplossing.

§        IP-adres gateway negeren: Selecteer het aankruisvakje en voer de volgende parameters in:

§        Domeinnaam: Voer de computernaam of de werkgroep in waar de EntraPass-server deel van uitmaakt. Zodra u de domeinnaam hebt ingevoerd, klikt u op de toets DNS testen. Het corresponderende IP-adres verschijnt.

§        IP-adres: Voer een IP-adres in.

5.      U kunt het aankruisvakje Verbinding inschakelen selecteren of deselecteren.

6.      Zodra de verbinding is geconfigureerd, klikt u op Opslaan of Annuleren om naar het vensterVerbindingen terug te keren.