INPUTS

§        Bij alleen de KT‐200 zijn de inputs normaal gesloten of normaal open droge contacten die serieel op één weerstand zijn aangesloten. Als het droge contact serieel met de groene weerstand is verbonden, is het inputnummer oneven. Als het droge contact serieel met de rode weerstand is verbonden, is het inputnummer even.

§        Inputs 1 (deurcontact) en 2 (verzoek om uitgangsapparaat) worden idealiter gereserveerd voor deur 1 van de controller, terwijl inputs 9 (deurcontact) en 10 (apparaat voor uitgangsverzoek) idealiter worden gereserveerd voor deur 2 van dezelfde controller.

§        Bij KT‐100 controllers is input 1 gereserveerd voor het deurcontact en input 2 voor het apparaat voor uitgangsverzoek.

§        Bij KT-300 controllers moet input 1 worden gereserveerd voor contact op deur 1, terwijl input 2 moet worden gebruikt voor het apparaat voor uitgangsverzoeken op deur 1 van de controller. Input 3 moet worden gereserveerd voor contact op deur 2 terwijl input 4 moet worden gebruikt voor het apparaat voor uitgangsverzoeken op deur 2 van de controller.

§     Bij KT-400 controllers moet input 1 worden gereserveerd voor contact op deur 1, terwijl input 2 moet worden gebruikt voor het apparaat voor uitgangsverzoeken op deur 1 (REX-deur 1) van de controller. Input 5 moet worden gereserveerd voor contact op deur 2 terwijl input 6 moet worden gebruikt voor het apparaat voor uitgangsverzoeken op deur 2 van de controller. Input 9 moet worden gereserveerd voor contact op deur 3 terwijl input 10 moet worden gebruikt voor het apparaat voor uitgangsverzoeken op deur 3 van de controller. Input 13 moet worden gereserveerd voor contact op deur 4 terwijl input 6 moet worden gebruikt voor het apparaat voor uitgangsverzoeken op deur 4 van de controller.

Linkerpaneel

§        In dit paneel staat een lijst met locaties en hun controllers.

§        Met het tekstvak Filteren... kunt u de lijst met locaties sorteren op basis van de tekenstring die u hebt ingevoerd.

Werkgebied

§        Het werkgebied bevat de inputs die in het linkerpaneel zijn geselecteerd. U kunt de inputs van een bepaalde controller of van een hele locatie weergeven.

Toetsen rechtsboven

§        Toets Bewerken: Klik op de toets Bewerken om de parameters van de geselecteerde input te bewerken (zie Inputinstellingen voor meer informatie).

§        Toets Verwijderen: Klik op de toets Verwijderen om de geselecteerde input uit de lijst te verwijderen.

§        Pictogrammenweergavemodus: Klik op de toets om de inputs als pictogrammen in het werkgebied weer te geven.

§        Lijstweergavemodus: Klik op de toets om de inputs in lijstformaat in het werkgebied weer te geven.

Onderste balk

§        Toets Surveillancelijst:

§        Zoomtoetsen: Met de toetsen en kunt u op de tijdschaal in- en uitzoomen.