Een verbinding bestaat uit controllers die op dezelfde communicatiepoort of verbinding zijn aangesloten. Het systeem kan maximaal 32 lokale locaties per multi-site gateway beheren, 8 locaties per NCC-8000 gateway, 3 fysieke verbindingen per KT-NCC gateway en 32 verbindingen per global gateway. Binnen EntraPass kunnen gebruikers bovendien maximaal 512 externe inbelverbindingen per multi-site gateway toevoegen. Corporate en Global Gateway-verbindingen bestaan uit KT‐100, KT‐200, KT‐300 en KT‐400 controllers. Het wordt niet aanbevolgen KT‐100, KT‐200, KT‐300 en KT‐400 controllers in dezelfde loop te gebruiken. Er zijn vijf verbindingstypes beschikbaar:
§ Direct (RS‐232 en USB)
§ Secure IP (KT‐400)
§ Beveiligd IP (KTES)
§ Beveiligd IP (IP Link)
§ Ethernet (polling)
§ In dit paneel staan de verbindingen aangegeven die samenhangen met de gateway die in het vervolgkeuzemenu is geselecteerd.
§ Met het tekstvak Filteren... kunt u de lijst met verbindingen sorteren op basis van de tekenstring die u hebt ingevoerd.
§ In het werkgebied staan de controllers aangegeven die samenhangen met de geselecteerde verbinding.
§ Toets Toevoegen: Klik op de toets Toevoegen om een nieuwe verbinding aan de gateway toe te voegen (zie Verbindingsinstellingen voor meer informatie).
§ Toets Bewerken: Klik op de toets Bewerken om de geselecteerde verbindingsparameters te configureren (zie Verbindingsinstellingen voor meer informatie) of rechtsklik en selecteer Verbinding bewerken in het contextmenu.
§ Toets Opslaan als: Klik op de toets Opslaan als om de geselecteerde verbindingsparameters te kopiëren (zie Verbindingsinstellingen voor meer informatie) of rechtsklik en selecteer Verbinding klonen in het contextmenu.
§ Toets Verwijderen: Klik op de toets Verwijderen om de geselecteerde verbinding uit de lijst te verwijderen of rechtsklik en selecteer Verbinding verwijderen uit het contextmenu.
Controllers geven audiovisuele feedback over de toegangbeslissing. Gewoonlijk geeft een rood/groen lampje (LED) op de reader aan of de deur is ontgrendeld of dat toegang is geweigerd. Er kan op de deur een alarm worden geplaatst, zodat met een geluidssignaal kan worden aangegeven als de deur open wordt geforceerd of open blijft staan als er iemand is binnen gekomen. De controllerdefinitie geeft aan het systeem aan hoe een controller wordt gebruikt en welke apparaten eraan zijn gekoppeld: deuren, inputzones en relais. Controllers kunnen tijdens het configureren van een verbinding worden gedefinieerd. EntraPass Web ondersteunt vier controllertypes: KT‐100, KT‐200, KT‐300 en KT‐400. Via deze controllers kunnen lokale functies die aan een controller zijn gekoppeld, worden geactiveerd.
N.B.: NCC‐8000 Gateways ondersteunen alleen KT‐200. Bij een NCC‐8000 Gateway kunnen er 16 controllers per verbinding en maximaal 8 verbindingen per NCC-8000 worden ingesteld. Alleen KT-200 met EP‐8002 EPROM kan met een NCC‐8000 Gateway communiceren. Bij Global moet KT-200 met EP-Entra3 EPROM's worden gebruikt.
§ Toets Controller toevoegen: Klik op de toets Controller toevoegen om met de wizardSnelle instelling een nieuwe controller aan de geselecteerde verbinding toe te voegen.
§ Toets Geavanceerde instellingen bewerken: Klik op de toets Geavanceerde instellingen bewerken om de parameters van de controller te bewerken (klik hier voor meer informatie) of rechtsklik en selecteer Controller bewerken in het contextmenu.
§ Toets Verwijderen: Klik op de toets Verwijderen om de geselecteerde controller uit de lijst te verwijderen of rechtsklik en selecteer Controller verwijderen uit het contextmenu.
§ Toets Surveillancelijst: Als een component onder "surveillance" staat, wordt hij in deze lijst weergegeven.
§ Zoomtoetsen: Met de toetsen
en
kunt
u op de tijdschaal in- en uitzoomen.